HULP DIE AANKOMT
HOOFDMENU » Nieuws » Geschiedenis Albanie

Albanië

 

Albanië, officieel: Republika e Shqipërisë, kortweg Shqiperi, republiek in het westen van het Balkanschiereiland, 28 748 vierkante kilometer (1998 reëel), met 3 510 484 (2001 schatting) inw. (122 personen per vierkante kilometer (2001 schatting); hoofdstad: Tirana (Tiranë). Munteenheid is de lek, verdeeld in 100 qintars. Nationale feestdag is 28 nov., bevrijdingsdag (1944).

 

 1. FYSISCHE GEOGRAFIE

 1.1 Landschap

 Albanië heeft een vrij smalle, langgerekte vorm (175 km lang, gemiddeld 85 km breed) en bestaat uit twee hoofddelen: het lage kustland en het bergachtige binnenland. Het kustlandschap bestaat uit een aantal kustvlakten, die door vlakke droge ruggen van elkaar zijn gescheiden; waar deze laatste tot aan de zee reiken, vormen zij steile, rotsige kusten. De kustvlakten zijn laag met op verscheidene plaatsen meren en moerassen; de winterregens en het voorjaarhoogwater van de rivieren veroorzaken er vaak overstromingen. Meer naar het oosten ligt, als voorland van het gebergte, een heuvelachtige zone, die vrij blijft van hoogwater. Het oosten van Albanië is woest en moeilijk toegankelijk. In het noorden, in de zgn. Noordalbanese Alpen, neemt het met diepe kloven doorsneden kalkgebergte zelfs hooggebergtevormen aan (Jezerce, 2693 m), met glaciaal gevormde toppen en kaarvorming. Voor het overige bestaat het bergland uit langgerekte ruggen, sterk versneden kleine hoogvlakten en kleine bekkens. Karstverschijnselen komen voor, zij het minder dan in Slovenië. De enige grotere en voor landbouw geschikte vlakte ligt rond de Dessaretische meren in het zuiden, omgeven door bergen.

 feiten en cijfers

 De rivieren (Drin, Mat, Shkumbî, Seman, Vijosë) stromen alle vanuit het bergland naar de Adriatische Zee en doorbreken de bergketens in grillige en woeste dalen; ze zijn onbevaarbaar. De meren liggen alle in het grensgebied: in het noorden het Shkodërmeer (460–510 km2); in het zuidoosten de Dessaretische groep: Meer van Ohrid (270 km2), Prespameer (288 km2) en het kleine Malikmeer.

 

1.2 Klimaat

 Het klimaat van de kustvlakte is mediterraan met hete zomers, zachte winters en winterregens. In het bergachtige oosten heerst echter een ruw, continentaal klimaat met strenge, sneeuwrijke winters en met zomerregens. De beschutte bekkens hebben een milder klimaat, zodat hier nog mediterrane planten kunnen groeien. De neerslag bedraagt tussen 750 en 1200 mm/jaar, aan de loefzijde van de gebergten en in de Noordalbanische Alpen echter tot 2000 mm/jaar.

 

1.3 Plantengroei

 Op de kustvlakte heeft de vegetatie een mediterraan karakter; meer het binnenland in volgt, tussen ca. 700 en 1000 m hoogte, een zone van eikenwoud, daarboven overheerst beuken- en dennenwoud en boven 1800 m een alpine vegetatie.

 

2. BEVOLKING

 De bevolking bestaat naar schatting voor ca. 97% uit Albanezen en voorts uit Grieken (vnl. in het noorden van Epirus), enige duizenden Slaven (Macedoniërs, Montenegrijnen, Bulgaren, Serviërs) en Turken, Armeniërs en zigeuners. Meer dan drie miljoen Albanezen wonen in het buitenland, van wie 2,5 miljoen in Kosovo, Macedonië en Montenegro, de rest in Zuid-Italië en Griekenland. Het dichtstbevolkt zijn het heuvelland en de kuststrook, m.n. de districten Tirana en Vlorë. De urbanisatiegraad is laag: ca. 35%, maar de trek naar de steden neemt toe. De grootste steden zijn Tirana (244 000 inw.), Durrës (85 000), Shkodër (82 000), Elbasan (83 000), Vlorë (74 000), Korçë (65 000) en Berat (44 000).

 

2.1 Taal

 Het Albanees (zie Albanese taal) behoort tot de Indo-Europese taalgroep; het is een mengtaal met een groot aantal leenwoorden. In 1908 werd een officieel Albanees alfabet ingevoerd, gebaseerd op het Latijnse. Er zijn een Gegisch en een Toskisch dialect, alsmede een overgangsdialect tussen beide; het Toskisch is sedert 1945 de officiële taal. Aan de etnische minderheidsgroepen in het land is het toegestaan de eigen taal in ere te houden.

 2.2 Religie

 Tussen 1967 en 1990 bestond er een verbod op elke godsdienstuitoefening. Alle moskeeën en kerken in het land werden gesloopt of ingericht voor andere doeleinden; geestelijke leiders werden gedwongen de uitoefening van hun ambt op te geven. Naar schatting is thans 70% van de bevolking islamitisch (soenieten), 10% rooms-katholiek en behoort 20% tot de Grieks-orthodoxe Kerk, vnl. Gegen.

 3. BESTUUR EN SAMENLEVING

 3.1 Staatsinrichting

 Tussen 1948 en 1991 was de communistische partij – officieel Albanese Arbeiderspartij (afgekort: PPSh) – de enige leidinggevende politieke macht in staat en samenleving. In 1991 vonden de eerste vrije verkiezingen plaats na de val van het communistische bewind. De Volksvergadering (Kuvendi Popullor) telt 155 afgevaardigden, die elke vier jaar gekozen worden; zij kiezen het staatshoofd. Er bestaat een algemene kiesplicht vanaf 18 jaar. In 1998 kreeg Albanië zijn eerste postcommunistische grondwet.

 3.2 Administratieve indeling

 Administratief is het land verdeeld in 36 districten (rreth, mv. rráthe of rráthët) en tien prefecturen.

 3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties

 Albanië is sinds 1955 lid van de Verenigde Naties. Na zijn officieel uittreden uit het Warschaupact in 1968, had het land geen band meer met enige Europese organisatie. In 1991 trad Albanië toe tot de OVSE en in 1995 tot de Raad van Europa.

 3.4 Partijwezen

 De Albanese Arbeiderspartij oefende tussen 1948 en 1991 via de door haar gecontroleerde massa-organisaties in alle sectoren van de maatschappij invloed uit. Na de invoering van het meerpartijenstelsel en de eerste vrije verkiezingen in 1991 zijn er twee belangrijke politieke partijen, die elkaar te vuur en te zwaard bestrijden: de Democratische Partij (PDS) en de Socialistische Partij (PSS).

 

4. ECONOMIE

 4.1 Algemeen

 Na de breuk met achtereenvolgens de Sovjet-Unie (in 1961) en China (in 1978) voorzag het communistische Albanië in economisch opzicht volledig in eigen behoeften. Door deze isolationistische politiek raakte de economie echter hopeloos verouderd. Met de val van het orthodoxe communisme stortte ook het economische leven in de jaren 1990—1992 geheel in, niet in de laatste plaats vanwege grootschalige vernielingen en plunderingen van talrijke staatsondernemingen. Albanië werd voor een belangrijk deel afhankelijk van noodhulp, buitenlandse leningen en overboekingen van Albanezen die als gastarbeiders in het buitenland werkzaam waren.

 Vanaf 1992 werd een snelle privatisering van het economische leven doorgevoerd. Zo werd de collectivisatie van de landbouw ongedaan gemaakt en de grond onder de boeren verdeeld. Daarnaast kwam een kleinschalige industrie en dienstverlening op gang. Al met al leek de privatisering haar vruchten af te werpen: in 1994 en 1995 steeg het Bruto Nationaal Product volgens officiële cijfers met ongeveer 7%.

 Naast de legale economische bedrijvigheid floreerde bovenal de zwarte handel - in mensen, olie, drugs en wapens. Veel geld werd geïnvesteerd in de zogenaamde piramidefondsen, die torenhoge rendementen beloofden. Toen deze fondsen begin 1997 instortten, viel Albanië ten prooi aan chaos en anarchie, als gevolg waarvan het normale economische leven vrijwel volledig stil kwam te liggen. Zo blijft Albanië ondanks gunstige ontwikkelingsperspectieven één van de armste landen van Europa.

 4.2 Landbouw, bosbouw en visserij

 Het landbouwareaal beslaat ruim 12 000 km2, verdeeld over ca. 400 000 boeren. De opbrengsten sinds de privatisering schoten jaarlijks omhoog met 10%. De bosbouw is belangrijk; sedert 1950 zijn wat dit betreft goede vervoersmogelijkheden geschapen. Pas in 1973 echter werd een programma voor herbebossing in uitvoer genomen, teneinde de voortschrijdende erosie van de bodem tegen te gaan. De visserij (in de kustwateren) is van weinig of geen betekenis.

 

4.3 Mijnbouw

 Albanië beschikt over aanzienlijke minerale reserves, waarvan de exploitatie in de jaren vijftig ter hand is genomen. De voornaamste delfstoffen zijn aardolie, aardgas en chroomerts; voorts worden o.m. koper-, ijzer- en nikkelerts, bauxiet, bruinkool, kalk en zout gewonnen. Het belangrijkste olie- en aardgasveld bevindt zich bij Qyteti Stalin, in het centrum van het land, waar een deel van de ruwe olie tevens wordt geraffineerd; de plaats is door pijpleidingen verbonden met de havenstad Vlorë. Met de exploitatie van elders in het land aangetoonde reserves (Patos) is in de jaren zeventig een begin gemaakt.

 4.4 Industrie

 De voornaamste producten zijn textiel, voedingsmiddelen (drank en tabak) en schoeisel. Aardolieraffinage groeide evenwel het snelst. In 1994 was ca. 30% van de beroepsbevolking in de industrie werkzaam, over het algemeen weinig geschoold; de vervaardigde producten zijn dan ook veelal van geringe kwaliteit. Industriecentra zijn Tirana en Durrës, en in mindere mate Shkodër; ook handwerk en kleinbedrijf zijn hier echter, evenals elders in het land, van groot belang.

 4.5 Handel

 De buitenlandse handel is kleinschalig vanwege de veelheid aan producten. Textiel, schoenen en brandstof zijn goed voor 70% van de export. Het land voerde in 1995 voor $ 670 miljoen in en voor 188 miljoen uit. Na de instorting van het communisme raakte Albanië zijn klassieke markten kwijt (China, Oost-Europa) en ging naarstig op zoek naar nieuwe partners. De belangrijkste handelspartners van Albanië zijn Griekenland, Bulgarije en Italië.

 4.6 Bankwezen

 Het enige kredietverlenend instituut in het land is de Albanese Staatsbank in Tirana (Banka e Shteki Shqiptar).

 

4.7 Verkeer

 De aard van het landschap staat de ontsluiting van grote delen van Albanië, met name in het berggebied, in de weg. Het wegennet is 18 000 km lang, meestal slecht onderhouden. In 1946 werd begonnen met de aanleg van een spoorwegnet; in 1987 omvatte dit, met lijnen vanuit Tirana naar het noorden, zuiden en oosten van het land, 684 km. De steden zijn door een net van verharde wegen en busdiensten met elkaar verbonden. Er is weinig gemotoriseerd verkeer. De rivieren zijn onbevaarbaar; Durrës en Vlorë zijn de belangrijkste zeehavens. Albaniës enige luchthaven, te Rinas bij Tirana, wordt door slechts enkele buitenlandse maatschappijen aangedaan. Er zijn geen binnenlandse luchtlijnen.

 5. TOERISME

 Het toerisme is nog amper ontwikkeld. Het aantal hotelbedden is beperkt: de meeste bezoekers zijn dagjesmensen of gasten op doorreis. Van de 28 349 buitenlandse bezoekers (in 1994) kwamen er 7628 als toerist, ofschoon het land genoeg te bieden heeft. Steden die om hun historische monumenten worden bezocht, zijn in het noorden Shkodër en Lezhë, centra van oude Albanese cultuur; in centraal-Albanië Durrës en Elbasan; in het zuidoosten Pogradec en Korçë en in het zuiden Vlorë, Berat, Gjirokastër (de twee laatstgenoemde gebouwd in een bijzondere stijl en gelegen in een berggebied met karakteristieke panorama's), Fieri, het havenstadje Sarandë en Konispol met in de nabijheid de grot van Shën Meri. De musea hebben veel gebruiksvoorwerpen en wapens uit het bronzen tijdperk in hun collectie; met name moeten de twee soorten bijlen genoemd worden die in de archeologie bekend staan als Dalmatisch-Albanese bijlen. Verder zijn er graftomben uit de klassieke oudheid te zien, schilderijen, sculpturen en volkskunst (o.m. borduurwerk). De bouwstijl in Albanië vertoont veel Turkse invloed, zoals aan de moskeeën, voor zover zij nog niet zijn afgebroken, te zien is. Op veel plaatsen in het land zijn de kastelen van vroegere Albanese vorsten (gedeeltelijk) bewaard gebleven.

 6. GESCHIEDENIS

 Albanië werd in de 2de eeuw v.C. door de Romeinen veroverd. Het was toen bewoond door Illyriërs, die vooral in de bevolkingscentra min of meer geromaniseerd werden. Na 1204 vormde zich het zgn. despotaat Epirus, dat zuidelijk Albanië en een deel van Noordwest-Griekenland omvatte. Dit despotaat, dat aanvankelijk vanuit Byzantium werd geregeerd, kwam in de eerste helft van de 14de eeuw aan de Italiaanse prinsen Orsini. Midden-Albanië stond van 1271 tot 1368 als koninkrijk Albanië onder de koningen van Napels. Aan het eind van de 14de eeuw bezette Venetië een aantal belangrijke havens. In de eerste helft van de 15de eeuw vond de Turkse invasie plaats. Een algemeen Albanees verzet daartegen, geleid door Skanderbeg en vanuit Italië gesteund, mislukte. In 1478 was de Turkse heerschappij over Albanië geconsolideerd. In veel groter getale dan de Grieken, Serven e.a. gingen de Albaniërs tot de islam over (o.a. de gehele adel). Niettemin handhaafde zich een eigen Albanese nationaliteit, zoals ook opstanden tegen het Turkse gezag bleven voorkomen, vooral sinds de 18de eeuw, toen de Turkse macht achteruitging.

 Omstreeks 1800 regeerde Ali Pasja, een Turkse pasja van Albanese afkomst, bijna als onafhankelijk vorst over Albanië, Macedonië en Thessalië. In 1822 werd hij echter door de sultan verslagen en gedood. De anti-Turkse agitatie hield daarna niet op en in 1878 zond Albanië een memorandum aan het Congres van Berlijn waarin aandacht voor de Albanese belangen werd gevraagd. Toen Bismarck dit verzoek in de wind sloeg, vormde zich een Albanese liga, die protesteerde tegen de kort daarna plaatsvindende toekenning van Albanees gebied aan de omringende mogendheden. Toen de liga, die eerst de steun van Turkije had gehad, autonomie voor Albanië eiste, gingen de Turken de liga bestrijden, waarna deze een geheime revolutionaire organisatie werd.

 Vlak voor het uitbreken van de Eerste Balkanoorlog verkreeg Albanië eindelijk van Turkije autonomie. Tijdens deze oorlog bleef Albanië neutraal. Steun van Italië en Oostenrijk, die de expansie van Servië wilden tegenhouden, gaf de Albanezen ten slotte de mogelijkheid de onafhankelijkheid van hun land uit te roepen (te Vlorë op 28 nov. 1912 bij monde van Ismaël Kemal). Rusland en Frankrijk protesteerden, zodat een conflict dreigde, dat door Engelands bemiddeling werd bezworen. Bij besluit van de mogendheden van 29 juli 1913 werd Albanië (met een geringer gebied dan de nationalisten wensten) een soeverein vorstendom onder prins Wilhelm von Wied. De anarchie in het land zou beëindigd worden door de oprichting van een Albanese gendarmerie, te organiseren door Nederlandse officieren. Op 3 sept. 1914 verliet Wilhelm von Wied Albanië, het onbestuurbare land in wanorde achterlatend. In de Eerste Wereldoorlog werd Albanië door legers van allerlei naties overstroomd. In 1920 wisten de Albaniërs de Italiaanse en Franse bezetters ertoe te bewegen het land te verlaten. In 1921 gingen ook de Joegoslaven weg. De onafhankelijkheid van Albanië binnen de grenzen van 1913 werd opnieuw door de mogendheden erkend.

 Op 22 jan. 1925 werd de republiek uitgeroepen met Achmed Zogoe als president. Op 1 sept. 1928 nam deze de titel van koning aan onder de naam Zog I. Hij zocht nauwe aansluiting bij Italië (verdragen van Tiranë, 1926 en 1927), die exploitatie en organisatie van het land op moderne leest mogelijk maakte. Tegen de Italiaanse pogingen om de soevereiniteit over Albanië te krijgen, bleef Zog zich echter verzetten. Op 7 april 1939 vielen de Italianen ten slotte Albanië binnen, waar de felle weerstand spoedig werd gebroken. Zog vluchtte. Het land werd vervolgens tot het eind van de Tweede Wereldoorlog de speelbal van Italië en Duitsland bij hun acties op de Balkan. Na de Italiaanse capitulatie werd het door de Duitsers in sept. 1943 bezet. Er ontwikkelde zich een Albanese partizanenstrijd. Na de bevrijding van Albanië (najaar 1944) kwam uit deze strijd een volksdemocratische regering onder Enver Hoxha voort. Hoxha zou als partijleider (sedert 1948) de koers van zijn land gedurende meer dan dertig jaar gaan bepalen.

 Op 11 jan. 1946 werd de republiek Albanië opnieuw uitgeroepen. Deze sloot zich nauw aan bij Joegoslavië, dat in feite een officieus protectoraat met goedkeuring van Moskou uitoefende. De eis tot afstand aan Albanië van het overwegend door Albaniërs (Shqiptaren) bewoonde ‘autonome gebied’ Kosovo en Metohija (thans Kosovo) moest onder deze omstandigheden verstommen, maar irredentistische verlangens (zie irredentisme) uitten zich later sterk. Toen Joegoslavië brak met de Kominform (1948), bleef Albanië zich oriënteren op de Sovjet-Unie. De breuk met Tito leidde tot een grote zuivering van pro-Joegoslavische krachten in Albanië. O.m. de minister van Binnenlandse Zaken en tweede man achter Hoxha, Koci Xoxe, werd geëxecuteerd. Op de Balkan raakte het land verder geïsoleerd, mede door de slechte relatie met zuiderbuur Griekenland, dat aanspraken maakte op Noord-Epirus, het door Grieken bewoonde zuiden van Albanië.

 

In 1955 trad Albanië toe tot het Warschaupact (tot 1968). De verbetering van de betrekkingen tussen de Sovjet-Unie en Joegoslavië leidde in Albanië tot een verscherpte binnenlandse koers. De door Chroesjtsjov op gang gebrachte destalinisatie werd in Albanië niet gevolgd: integendeel, Stalin bleef voor Hoxha een onaantastbaar staatsman. Albanië voelde zich voortaan door zowel het ‘revisionisme’ van Tito als door het ‘sociaal-imperialisme’ van Chroesjtsjov bedreigd. Het land ging zich meer en meer op het China van Mao Zedong oriënteren. In 1961 kwam het in Moskou, tijdens het 12de Partijcongres van de CPSU, openlijk tot een breuk tussen de Sovjet-Unie en China. Albanië koos partij voor China en werd door Chroesjtsjov gekritiseerd. Moskou trok zijn adviseurs terug, ontruimde de militaire installaties in het land en verbrak de diplomatieke betrekkingen. China nam de rol van de Sovjet-Unie over, stuurde adviseurs en leverde een aanzienlijke bijdrage aan de economische ontwikkeling van het land.

 

In 1966 vond in Albanië een door de partijleiding gestuurde culturele revolutie plaats. De traditionele maatschappelijke structuren werden radicaal overboord gezet: het dat jaar gehouden vijfde partijcongres markeerde het hoogtepunt in de strijd van de regering tegen de nationale traditie en de ‘godsdienstige vooroordelen’. Cultuuruitingen uit het Westen, met inbegrip van de klassieke westerse literatuur, werden taboe verklaard, en analoog aan China werd ook in Albanië de opbouw van een nieuwe nationale cultuur op communistische basis gepropageerd.

 

In 1967 besloot het Hoxha-regime religie wettelijk af te schaffen. Albanië werd zo het eerste atheïstische land ter wereld. Kerken en moskeeën werden gesloten of afgebroken. In de loop van de jaren zeventig was een lichte verbetering te zien in de economische en politieke betrekkingen tussen Albanië en een aantal West-Europese landen. Met enkele staten werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt (Nederland 1970). Kern van het beleid van Hoxha bleef echter de isolationistische en autarkische koers. In 1978 kwam het door ideologische tegenstellingen tot een breuk met China. In dec. 1981 stierf premier Mehmet Shehu onder geheimzinnige omstandigheden. Aanvankelijk werd gesproken van zelfmoord. Later bleek dat de als ‘spion en verrader’ afgeschilderde Shehu was doodgeschoten. Het jaar 1982 werd gekenmerkt door een grote en bloedige zuivering in partij en regering. Ramiz Alia werd tot president benoemd. In september voerde een groep rechtse Albanese emigranten een mislukte landingspoging uit. In april 1985 stierf Enver Hoxha. Ramiz Alia werd zijn opvolger als partijleider. Deze zette de koers voort van langzaam herstel van de betrekkingen met Oost en West. Goede contacten met de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten werden echter vermeden.

 

In dec. 1989 en jan. 1990 waren er demonstraties voor democratische hervormingen die met geweld werden uiteengeslagen. In juli 1990 mochten bijna 5000 Albanezen, die in buitenlandse ambassades hun toevlucht hadden gezocht, het land verlaten. Alia kondigde eind 1990 beperkte hervormingen af, zoals decentralisatie van het bestuur en de keuze uit meer dan één kandidaat bij verkiezingen. In maart 1991 vonden onder toezicht van westerse waarnemers vrije verkiezingen plaats. Dank zij het conservatief stemmende platteland wonnen de communisten. De nieuwe regering werd al na een maand ten val gebracht. Juni 1991 werd een Regering van nationale redding geïnstalleerd. In december werd deze regering vervangen door een zakenkabinet, dat na verkiezingen in maart 1992 (waarbij de communisten slechts 25% van de stemmen kregen) op zijn beurt werd vervangen. Ramiz Alia trad af als president en werd op 9 april 1992 opgevolgd door Sali Berisha, de eerste democratisch gekozen president.

 

De relatie met Griekenland en de Griekse minderheid verbeterden in de loop van 1996, maar de relatie met (het voormalige) Joegoslavië bleef slecht vanwege een belangrijke groep Albanees sprekenden in dat land.

 

De parlementsverkiezingen van 1996, die plaatsvonden in een sfeer van fraude, intimidatie en geweld en die door de socialistische oppositie werden geboycot, leverden een absolute meerderheid op voor de regerende Democratische Partij van president Sali Berisha, de vroegere cardioloog van oud-dictator Enver Hoxha. Premier werd Aleksander Meksi. Begin 1997 braken in het hele land ernstige onlusten uit, nadat meer dan de helft van de bevolking haar spaargelden had verloren bij het faillissement van dubieuze investeringsfondsen. Vooral het zuiden van het land, waar van oudsher het antagonisme tegen het noorden sterk is, balanceerde op de rand van een burgeroorlog. In deze chaotische situatie liet Berisha zich door het parlement, waarin zijn Democratische Partij vrijwel alle zetels bezette, herkiezen. Bij de vervroegde verkiezingen van juni–juli 1997 verloor de Democratische Partij haar dominante positie aan de Socialistische Partij van Albanië. President werd de socialist Mejdani, die partijleider Nano tot premier benoemde. Na rellen in Tirana in sept. 1998 trad Nano af. In okt. benoemde de president een nieuwe regering onder leiding van Pandeli Majko.

 

Tijdens de Kosovocrisis en –oorlog zochten van eind maart tot begin juni 1999 meer dan 425 000 Kosovo-Albanezen hun toevlucht in buurland Albanië. Tal van nationale en internationale organisaties, waaronder de NAVO, verleenden materiële, logistieke en humanitaire hulp aan Tirana. Er vonden geregeld grensincidenten plaats tussen Joegoslavië en Albanië, dat begin april de NAVO toestemming gaf het Albanese luchtruim, de Albanese havens en infrastructuur te gebruiken. Medio april verbrak Joegoslavië zijn diplomatieke betrekkingen met Albanië. Na de capitulatie van Belgrado in juni keerden de Kosovo-Albanezen naar hun woonplaatsen terug.

 

Eind oktober 1999 diende premier Pandeli Majko zijn ontslag in, nadat hij de strijd om het voorzitterschap van de PSS had verloren van ex-premier Fatos Nano. Vice-premier Ilir Meta werd benoemd tot opvolger van Majko. Het nieuwe kabinet van Meta kreeg begin november het vertrouwen van het parlement. Ex-president Sali Berisha werd als voorzitter van de oppositionele PDS herkozen, zodat de oude kemphanen Nano en Berisha als partijleiders opnieuw tegenover elkaar kwamen te staan.

 

De gemeenteraadsverkiezingen in oktober 2000 werden gewonnen door de regerende Socialistische Partij, die in ruim 60% van de gemeenten de meerderheid wist te verwerven, ook in de hoofdstad Tirana, dat sinds 1992 een bolwerk van de Democratische Partij was.

 

In februari 2000 heropenden Albanië en Montenegro (een deelrepubliek van de Joegoslavische Federatie) ondanks protesten van het federale Joegoslavische leger hun gemeenschappelijke grens, die in 1997 tijdens de Albanese onlusten was gesloten. De in dat jaar in Albanië gestationeerde Griekse troepen, keerden begin augustus naar Griekenland terug.